De
GedicHteN

van Mustafa Kör, Dichter van België van 2022 tot 2024. 

op je verscheurde dan weer met

grijnzende kasseien bezaaide wegen

begaf ik me, domweg als een bloedsomloop

vanonder je kleiaarde wilde ik schatten delven

ik wist niet waar ze te halen en voer naar zee

hees er de zeilen en ging eenzame kimmen tegemoet

de roemruchte stok van voorvaderen, die uit een bezongen

boom was verkregen, wees me de weg wanneer ik dwaalde

terwijl ik koortsig tot u wilde komen, sprak hij tegen me

voorwerelds was zijn taal

een siddering die uit de buik van de aarde opsteeg

trok door ons heen toen we beiden inzagen dat

het er niet toe deed of we elkaars talen spraken

en eens dat besef er was, kwam het verlossende afscheid

van hen die niet slechts hebben liefgehad met hun ogen

Het zijn beloftes waar je naar reikt

hoog en droog als gonzende bijenkorven

Een blik was genoeg om meer te willen

voor het leven

Je meandert langs ruggen, plukt hier en

daar vruchten van voldragen schappen

Telkens je er eentje aanslaat, gloort het

in lichaam en geest

In de ban van meer licht jaag je sindsdien

van en naar je wingewest. De verhoopte buit

is bladgoud en inzicht

Onder dit gebinte liggen wereldwonderen

voor het grijpen als snoepgoed. Dat ervoer je

van in het prille begin. Langs moeders rokken

keek je op en je oerknal voltrok

er lag een ijzeren zee tussen ons
ik spoelde van een overkant aan
op de barre kust vond ik u

golven wassen u schoon, baren u op
geven u vrij in al uw eenzaamheid

eenzaamheid hoort de schepper toe
buig ik daarom het hoofd en diep ik
gebeden op voor uw overgang

als je vergeten wordt, vraag ik me af
zo’n dood, zal het ons te beurt vallen
of erbarmen

uw laatste zucht
de deining die me bij u bracht

even raakte ik uw kust aan voor ik
de storm in liep die niets meer bracht
dan verlate verzen in de stilte die u naliet

Dit is geen afscheid

Dat is voor zij die liefhebben

Met hun lichaam

Je ontwaakt en je ziet een gescheurde wereld
Terstond groei je uit tot een groot mens
Die zijn tranen moet bedwingen voor ouders

Je wilt de aarde terug in slaap wiegen
Zeggen dat het allemaal goed komt
Zoals de posters aan je muren beloofden

Kind zijn was wachten en ondergaan
Maar nu krijg je de eerste keuze
In het uitpikken van een toekomst

Uit de ballenbak die ik je bracht
Opdat je nog even gewoon kind blijft
Uitvinder van de gulle lach

jijbentmooizomooi och jij bent zo mooi je bent de mooi

ste je hebt ogen om in verloren te lopen zo schone oge

n heb ik nognooit ze schitteren prachtig en die lippen v

an je die zijn wonderlijkgevormde prachtig volroze glan

zende lippen werkelijk enig en omte kussen je handene

n je vingers god ze lijken met schilderspotlodengeteken

d sierlijk en rank als wingerds in de zon om eerbiedig vo

or tebuigen die lach van jou ontwapenend gulle lach die

zorgen wegneemten uitnodigt bij je te zijn naastje tekom

en staan genereus te wezen alsjij de lieve liefste zachtaa

rdige mooiemooie mens die ik altijd al lief had ik houvan

jou

Ik ben een vreemd kind dat

aangespoeld uit alle windstreken

spreekt in het abc van de sjamaan

Grens noch vlag zijn mij vreemd

ik ken de uithoeken van Morgen en Avond

waar ik kom ontsluiten zich oren en ogen

Ik klap Sevillanas oreer spoken words

en zing liedjes die je wilt begrijpen

eens je er echt naar luistert

Maar mijn accent mi! là. si. da. non, bro

verzette het ان شاء الله maar zoveel bakens

als het raaskallende monden kon snoeren

Ach ik ben maar een vreemd kind

met een vreemde taal die ik moet gebaren en

seinen in rookpluimen om gehoord te worden

Mij was geleerd dat elke taal een mens is

en hoe meer talen je spreekt

des te meer mens je wordt

Er is moed nodig om nog boom te zijn

Ook jij zal dat erkennen

Ofschoon je lot tot uitbottend verdriet verwerd

Toch koester je nog hoop op een oeroud begin

De zwanenzang der zwarten

Alleen met mijn lengende en slinkende

schaduw waar eens de wereld in school

van legioenen tot jeugdige geweldenaars

Hoe zal het jullie vergaan

tussen betonnen bergen

waar vogel noch wolf

Ik ben een oude boom

wiens dagen zijn geteld

Ik ratel nog even

Voor ik ga

strooi ik mijn moed uit

als een bede over Gods groene aarde

Aan de diepste putten

hebben ze hun mannen

en zonen afgestaan

Wroeten in het hart van de duisternis

waar prehistorische kolossen rusten

Je mag daarin afdalen, dat is één zaak

er heelhuids uit terugkeren is een andere

Lokroep of sirenenzang

Iets heeft hen betoverd

Het goud van de aarde zou er liggen

ingekapseld in myriaden stof en steen

Ze hieuwen er hun zwarte brood uit

tot ze bebloed en brokkelend hoestten

Maar een vrouwenhart weet beter

Voor wie hebben gebaard

is niets zo erg als achterblijver te zijn

In arbeidersmiddens baart men om

den brode helden want iemand moet

het donker en gevaar trotseren

Tussen aangeslagen handen en longen

brengen ze hun licht mee huiswaarts

om het op de eettafel uit te spreiden

Vaarwel
Dit is een betreurd afscheid
Een reiziger dient nu eenmaal onderweg te zijn
Veilig en wel
Van en naar
Geliefden
Een gonzende stad

Vaar. Wel
Welvaren. Waarheen?
Dit is geen reis, toch niet voor mijn soort
Spast, mongool, seniel

Horden neem je als ze zich aandienen
Wat met drempels? En onwil?

De dagelijkse queeste op rails en asfalt
Tierende willekeur waar heren niet opstaan
maar keurig voor knielen

De lijdensweg van de dagtoerist
De reisweg der lammen en blinden

Vrezen zal ik niets meer
als het ieders ergernis wordt hoe we omgaan met
hulpbehoevenden en de stilstand in wachtzalen en stations

Mobiel of kreupel
Waarom nog vertrekken als we toch gaan stranden?
Stranden. Vastlopen. Dichtslibben
Kan je allemaal in het enkeldiepe
Wij willen zee

Bij dit voortijdige afscheid
speelt alles naast de maat
kraaiende hanen, kinderkoren, mijn hartslag

Je had een raam
dat uitkeek over de daken
en velden van een Vlaams dorp
op heldere dagen de pieken van de hoofdstad

Je wilde bestaan
Hing je overjas in een ver oord
waarvan niemand had gehoord

Wat zou het dan
dat er vrede heerst
of de oogst goed is

Herinneringen aan
alles draagt er het parfum van
iets bloemigs met de herfst erin

De straatkatten
het meisje van tegenover
iedereen kent je naam
en geschiedenis van schreeuw tot zucht
je bent hier
broer, vriend, buur, kind van allen

Als bladval in mei
daalt je geur over dorp en veld
voortijdig

hef uw hoofd uit dit donkere uur

dra zal ons pad vrij en onze tred weer licht zijn

onderwijl doen we oorden aan waar uit monden

gespaarde broden ons sterken

nu zullen we elkaar

woorden geven en ze niet hebben

levende lenige woorden waar we

verluchte verlichte gedachten waar je

krom van gaat zitten om nog rechter

nog barokker dichtend te openen de harten

de kamers en grenzen waarin we mijmeren tot

de sterveling zichzelf ontbindt en nader tot u

komende zich een gewassen stem aanmeet

hef uw hoofd

van tel zijn kronen noch volgers

we zijn al aarde waarnaar we afreizen

dit nieuwe leven zullen we ook weten te

domesticeren we zijn immers lankmoedige

boeren die voor na voor elkaar oogsten

© Bert Potvliege

coNtact opNemeN

Abonneer u op onze nieuwsbrief

Franstalige contact

Charlotte Poncelet
Maison de la Poésie et de la Langue française

*

 +32 (0)81 22 53 49
charlotte [@] maisondelapoesie.be

Nederlandstalig contact

Lerne van Kesteren
Poëziecentrum

*

+32 (0)9 225 22 25
lerne.vankesteren [@] poeziecentrum.be

De Dichter*es

Lisette Lombé

Mustafa Kör

Carl Norac

Els Moors

Laurence Vielle

Charles Ducal

De partners