De
GedicHteN

van Lisette Lombé, Dichteres van België van 2024 tot 2026.

Arizona

No comment op ARIZONA en de 25 000 mensen die begin januari hun werkloosheidsuitkering kwijtraakten.  

Een woordje uitleg bij het beeld van de rode jurken dat het gedicht besluit. Toen ik in 2019 deelnam aan een Slam- en poëziefestival in Moncton (Acadië), raakte ik diep onder de indruk van een actie waarbij de onopgeloste – want nooit degelijk onderzochte – moorden op inheemse vrouwen werden aangeklaagd. In de bomen op de campus werden rode jurken opgehangen, die allemaal een slachtoffer symboliseerden. 

Ander motief. Brussel, 2015. Een onbekende man spreekt me aan voor ik mijn gedichten begin voor te dragen. Hij beweert dat hij een boodschap van mijn bewaarengel voor me heeft. Ik lachte er die dag om, maar schreef zijn woorden niettemin op: ‘In je rode jurk zie je er zelfzeker uit, maar eronder blijf je kwetsbaar. Geef jezelf een trap voor de kont, twijfel niet meer aan jezelf, heb vertrouwen en ga ervoor, nu!’
2026. De kleur die zich opdringt voor een nieuwe voorstelling. Je lichaam aanvaarden dat de perimenopauze ingaat. De zweetkringen aanvaarden. De strijd speelt zich elders af. Aanvaarden dat verlangen en woede in eenzelfde weefsel kunnen schuilen. Daar. Precies daar.

 

Aankomst zoals straks op een winteravond een gitzwarte ruiter aankomt. En voor een keer smaakt dat zwart niet naar een vloek of naar wanhoop. De ruiter draagt een pak in kameleontische kleuren. Hij zal worden verward met de kapo’s van het grootkapitaal. Hij zal hun taal spreken, maar onder het mom van de woorden zal hun eerste betekenis trommelen, voor zij door rechts wordt verdraaid. Zijn eenzaamheid stelt gerust.

Schuilplaats van schepselen uitgeperst

tot de armoededrempel. 

Alleen door zijn zwaard wordt zijn missie verraden.

Van mos en klimop. 

Van liefde voor verschillen en van schuurpapier.


R
ijmen van autoritaire regimes

in houding voor een afgrondelijke gulheid.

 

Idiotie van roofzuchtige systemen. 

Korte termijn. Roofvogels in zondags pak. 

Dwangbuis van de sensibiliteit. Cartografie van de berusting.

 

Zones van nieuwe rechten. 

Recht op comfort en op de vreugde van kleine geneugten. 

Recht op schoonheid. 

Recht op tedere blikken, elke dag weer. 

Recht op de horizon. 

Recht op vrij verkeer van ons lichaam. 

Recht op de dans van de ziel. 

Recht om zo lang als nodig te rouwen. 

Recht op de terugkeer van sommige kinderdromen. 

 

Observatie van vogels en onweer. 

Observatie van de craquelures in allerhande materies.  

Observatie van elk type tegenstand.

Observatie van de dood van elke tiran die vergat hoe tirannen doodgaan.

 

Nee! Onverzettelijk nee. Strijdbaar nee tegen al wat sociale verbinding verhindert. Tegen het blinde geschut van geplande besparingen. Tegen vreemdelingen als stupide schrikbeeld.

 

Aandacht: uitkeringen zijn geen geschenk van de staat. 

Zeg het en zeg het voort. 

Geruchtenmolen onder de driekleur. 

Hoeveel zwarte vuisten geheven in de lucht?

Hoeveel gele hesjes opgeduikeld uit laden en geheugens? 

Hoeveel rode jurken op weg naar de zege van de ontmoeting?

 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 

25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 + 25 000 +

 

De eerste nacht mat je je steevast het meest af.
Je moet alles nog napluizen,
alles nog snappen.
Het is een hele klus
alle tekens onderling te verbinden
wanneer je beseft dat geen enkele vondst zomaar uit de lucht komt te vallen.

In mijn droom zwem ik in een meer. Een heel donker meer. Op de oever heb je geen idee hoeveel leven er in een water schuilt. Ik beweeg me tussen ontelbare soorten. Ik moet vertrouwen op mijn huid, zij zal me leiden. Algen glijden over mijn kuiten als zomerse grassen langs sommige wegen. En opeens wikkelt een meerval, hij is bijna zo lang als ik, zich om mijn middel en sleurt me mee in een lijf-aan-lijf dat een levende dans zou zijn als mijn leven niet werd bedreigd. Het meer loopt leeg en weldra blijft alleen onze strijd in het slijk over. We bedwingen elkaar, we verlammen elkaar. Vreemd genoeg ben ik niet bang. Niet voor zijn kleffe massa, niet voor zijn brandende snor. Ik heb het voordeel van de vaste grond. Herhaalde bewegingen van zijn mond. Opening. Mijn onderarm in de bek van het dier prangen. Ik vergat te zeggen dat ik een gele rubberhandschoen draag. Met gebalde vuist houd ik het beest in bedwang, belet het zijn gewone onderwerpingsstrategie toe te passen. Wapen van de huisvrouw. Weigering weg te zinken, weigering te stikken. Geen overwinnaar, geen verliezer. Ik ben niet bang.

De tweede nacht is nooit een calque
van het originele beeld.
De met de tong van het kind bevochtigde sticker
in de vuilnisbak
vreest de kortstondige tatoeages niet.

Het begint met de close-up van een reusachtige ratelslang. Ik weet niet waarom ik zo vasthoud aan het woord droom, de nachtmerrie niet accepteer. Ik ken niets van slangen. Ik zeg ratelslang vanwege het klepperende geluid en het soevereine onderbewustzijn. Ik ben niet alleen. Vlak voor de tanden van het reptiel staat, trillend en stram, mijn jongste zoon. Ik was vergeten waarop een pupil lijkt die voor het eerst met de dood wordt geconfronteerd. Achteloze beet. Eindeloze schubben. En ik, alert voor het vlees van mijn vlees. Springen. Een stok tussen de kaken van het monster klemmen. De gifstroom stoppen. Blokkeren. Uitdagen. Ertegen gaan staan. Ertussen gaan staan. Ervoor gaan staan. Ik ben je berg. Ik ben je metaal. Ik ben niet bang. Ik ben het warme bloed dat niet wegvloeit. Ik ben koelbloedigheid. Ik ben je moeder, trotse zuil die de vervelling forceert van afgebladderde mannelijkheid. Ik ben niet bang.

De derde nacht is voor de maan.
Onze ogen hoeven niet verbrand te zijn
om het geheim van de wereld te omhelzen.

Als ik droom is er nooit een gulden middenweg. Ofwel weet ik niets meer bij het ontwaken, ofwel blijft alles bestaan, houdt alles stand. Er is die straat. Geen steegje, een straat, op een ochtend, met arbeiders en arbeidsters die rechtdoor lopen. Er is die man die in de lach schiet als ik voorbijloop. Hij lacht omdat hij de leeftijd heeft van mijn vader en ik die van zijn dochter. Hij lacht omdat hij zojuist zijn lid uit zijn broek heeft gehaald om me te choqueren en omdat dat lukt. Priapisch personage, vettige grove tentakel die mijn heup likt. Hij lacht omdat ik de benen neem in plaats van hem een knie in de kloten te verkopen. Hij lacht. Ik klim een berm op. Vandaar zie ik hoe hij de brave papa speelt voor zijn kinderen die naar school vertrekken. Woede. Woede. Ik film hem met mijn telefoon. Ik wil dat iedereen zijn gezicht kent! Ik ben niet bang meer. De schaamte moet veranderen van kamp. Ik ben niet bang meer. Kronkels van de dromen. Teleportatie van de agressor. De man staat vlakbij met een reusachtige bijl in zijn hand. Ik grijp de steel vast. Krachtmeting met onzekere afloop. Als ik bezwijk, hakt het blad mijn voorhoofd doormidden. Niet bang meer. Niet bang meer. En ik duw de man achteruit en ik dwing hem te buigen en te plooien en knie op de grond en knecht en kots en larve en bezworen straffeloosheid. Liquidatie van het problematische heerschap. Weer op adem komen. Lucht insnuiven. Gaan zitten. Mijn ogen dichtdoen. Denken aan vechtende vrouwen. Moed in overvloed. Durf. Volharding.

Denken dat.
Vrouwen die vechten
het recht horen te hebben
niet te vechten
in hun slaap.

Vertaling : Katelijne de Vuyst

Congo-lijkenhuis,

Hoeveel levens in ruil voor een ton coltan of koper?

Hoeveel kinderjaren in je wonden onder de blote hemel?

Congo-ratelzang,

Voor wiens voeten moet je knielen om vrede af te smeken wanneer de goden zelf hinkelen met de leiders en aandeelhouders van de planeet poen?

Congo-chaos,

En wat als het menselijk gezien onmogelijk is te huilen om meerdere volkeren die tegelijk worden uitgeroeid? Ik bedoel: met dezelfde razernij. Ik bedoel: zo veel jaren aan één stuk. En wat als onze harten al te zeer met onrecht worden doorzeefd? In onze wijken, in ons dagelijkse bestaan, in het slik van onze verkiezingen. En wat als net de zeldzaamheid van gedocumenteerde beelden ons belet in actie te komen? Schreeuwende schimmen, vage contouren van het lijden, knekelakkers overwoekerd door wouden.

Zo weids, je tropische woud.

Congo, Congo, ik stel je die vragen om de zin nog even uit te stellen waarin je moet toegeven dat de dood van een Zwarte ons nog altijd minder raakt dan die van iemand met een lichtere huid.

Altijd weer het excuus van de afstand,

Altijd weer de machete van de barbaarsheid,

altijd weer de stammenstrijden,

altijd weer opgeruimd staat netjes.

Congo, je bent het koudvuur en de kracht,

het schandaal en het zaad.

Je bent molik en blitse bodem, –

heimwee naar luipaarden en de sappige mango van de plantrekkerij.

Getatoeëerd op mijn gezicht

ben je mijn harnas en mijn naakte geheim.

Congo, ik wil rillen van de kou op je hoogste berg, in de te lichte kledij van de domkop die niet weet dat het ook in Afrika sneeuwt.

Mijn tong uitsteken. De vlokkige hostie proeven.

Opdat mijn machteloosheid me zou worden vergeven.

En dat ik door de schok van de onschuld en van de rust

eindelijk mijn telefoon los zou laten

die dronken is van mineralen

Verbrande hand,

bevroren hand,

van de wereld

afgesneden hand.

En opdat zo ver het oog reikt,

vulkanen,

melkwit licht

en nergens een mens.


Vertaling : Katelijne de Vuyst

Tijdens het avondeten merkte ik goed dat er iets scheelde.

Je zag bleek, een lege schelp, je was er en je was er niet.

Je at je frietjes met je bestek en niet met je vingers.

Verdwenen,

de beate glimlach van de vorige dagen, de tevreden zuchten

en de ambergele schijf van je aura.

Wie na een hoog opgelaaide passie

al heeft ervaren hoe gevoelens wegkwijnen,

herkent, tussen duizenden, de stilte van de vervreemding.

Toen ik je kamer binnenkwam om je zachte dromen toe te wensen, leek mijn hart uit mijn borst te zijn losgeraakt, klaar om te kloppen, als steun van alles wat in jou brak.

Je bed leek veranderd in een sarcofaag.

Je deken, een deksel van katoen.

Je gezicht, een aan volwassenen ontleend doods masker,

zonder reden afgeworpen.

Misschien had het me minder geschokt als je opgerold, in foetushouding, had gelegen en niet als een mummie, achtergelaten in het donker.

Ik vroeg hoe ik je helpen kon.

Je antwoordde dat niemand je helpen kon.

Dat ze niet meer van je hield.

Dat ze al een ander had.

In films neemt een moeder haar zoon in de armen, ze omhelst hem, wiegt hem alsof hij nog een zuigeling was.

En de zoon laat begaan.

En de zoon duwt zijn moeder niet weg als ze zegt:

Het gaat over, je zult wel zien.

Aan deze kant van het scherm zijn onze gebaren zo stram, zo klunzig, zo slecht geoefend in spontane reacties.

Het is niet niks zomaar te zeggen dat op de liefde altijd liefde volgt, terwijl je jezelf tegen eenzaamheid tracht te beschutten.

Belofte voor ons tweeën.

Je gouden haar, diadeem van de wanhoop.

Je tranen, kleine, stille kometen op je wangen.

 

Ik ben hier.

Vertaling : Katelijne de Vuyst

Kijk hoe…
Kijk hoe, op de aandoenlijkst mogelijke manier,
Kijk hoe op een dag onze borstkas in tweeën spleet.

 

Sommigen van ons spreken over bommen onder onze botten.
Sommigen van ons spreken over een gapend gat in onze borst of over peilloze
diepten.
Sommigen van ons spreken over een grote scheur in de lucht,
over omgekeerde seizoenen,
over schorsen die barsten onder druk van immens lijden.

 

Die middag zag ik de slangen uit hun nest verschijnen.
Ik zag hun glimmende huid.
Ik zag hun aantal.
Een beest voor elke wond.
Een beest voor elk affront.
Een beest voor elk misbruik.
Een beest voor elke smaad.
Ik zag hun aantal.
Ik zag ze krioelen en kronkelen.
Ik zag ze kruipend op de vlucht slaan.
Ik zag het leeggebloed hart dat zich bevrijdt
Ik zag het leeggebloed vlees dat zich bevrijdt
Ik zag de keten die breekt.

 

Sommigen van ons, die dat ook zagen,
sommigen van ons hebben zich van kant gemaakt toen ze het zagen.
Want het is heftig, heel heftig, te heftig, de doorbraak van echt respect,
de doorbraak van gelijke relaties, de doorbraak van tederheid, na jarenlang
onder de plak te hebben gezeten.

 

Ook ik dacht dat ik zou creperen.
Ook ik dacht dat ik gek zou worden, dat ik de explosie niet zou overleven.
En ik wilde de vrouw verdrinken die ik tien jaar lang was geweest.
Ik wilde de feministe verdrinken die zich door haar verloofde liet uitschelden
voor zielig wicht,
die wegging en terugkeerde om zich voor zielig wicht uit te laten schelden.
Ik wilde de moeder verdrinken die zich tegen de grond liet slaan,
die wegging en terugkeerde om zich tegen de grond te laten slaan.
Ik heb die vrouw gehaat. Ik heb haar lichtgelovigheid gehaat. Ik heb haar
willoosheid gehaat. Ik heb haar vriendelijk gedrag gehaat.
Ik herhaalde voortdurend: ik weet niet wie de vrouw is die dat heeft
aanvaard, ik weet niet wie de vrouw is die dat heeft aanvaard.

Ik huilde in de loge voor ik het toneel op ging.
Ik huilde in mijn auto als ik boodschappen deed.
Ik sliep niet meer. Ik wist niet meer wie ik was. Ik twijfelde aan mijn eigen
herinneringen.
Ik dacht dat de slangen onsterfelijk waren.
Ik dacht dat de pijn ongeneeslijk was.
Ik dacht dat mijn borstkas voor altijd in tweeën was gespleten.

 

Maar de zussen, de zussen van overal, de zussen bij elke etappe, de zussen
onder elke ster, de zussen bemoeiden zich met het spel.
Voorbij, de opdringerige gedachten.
Voorbij, het weggezogen zelfrespect.
Voorbij, de touwtjes van de poppenspeler.
En de zussen noemden zich mijn zussen. En mijn zussen hielpen me die
vrouw te omhelzen. En mijn zussen hielpen me die vrouw lief aan te kijken
en haar dicht tegen haar hart te drukken en te fluisteren: je hebt gedaan wat
je kon.

Ja, je hebt gedaan wat je kon!
Zie hoe springlevend je nu bent!
Zie hoe je er staat!
Zoals wij allemaal.
Zoals wij allemaal.



Vertaling : Katelijne de Vuyst

 

 

In een ander leven kleurde ik keurig binnen de lijntjes.
Ik vulde caddies en nam strikt de lijstjes voor schoolgerei in acht.
Overal, echt overal, op alles wat hun toebehoorde, plakte ik een etiket met de voornaam van mijn kinderen erop.
Hun schriften wikkelde ik in plastic folie dat bubbelde en elke luchtbel leek te zeggen dat ik een slordige moeder was.
Nog voor de kritiek kwam strafte ik mezelf al met rode stickers.

Ik zeg bij mezelf: Ieder zijn beurt.
Ik zeg bij mezelf: Het ligt achter mij.
Ik zeg bij mezelf: Mijn pubers kunnen het aan.

En ik ruk deze woorden
uit de mond van ouders
die ze nooit zullen uitspreken.

Ik denk aan Fabian, 11 jaar, op 2 juni 2025 gedood in een park, in Ganshoren.
Ik zie bloed in het gras en we zijn niet in oorlog.
Ik zie de wielen van een step en ze zijn zo klein,
vergeleken met die van een politieauto.
Ik zie de Brusselse lucht die versluierd wordt door een nieuw gezicht.

Ik sta hier niet
om het verloop van de feiten te reconstrueren.
Ik sta hier niet
om waarheid van leugen te scheiden.
Ik sta hier niet
om voorzichtig te blijven
in afwachting van aanvullend onderzoek.

Ik weet niet wat het is een helm met vizier te dragen tussen jezelf en de wereld.
Ik hoef geen kogelvrij vest aan als ik uit werken ga.
Ik ga om met voortrekkers maar niet met korpscommandanten.

Dichteres, dichteres.
Zinloze leegte in mijn buik,
dus ik eet.

Ik eet hen die zeggen dat woede bezinning belemmert.
Ik eet de witte wangen die zich de luxe permitteren nooit begrip op te brengen voor wie in de pas weigert te lopen.
Ik eet al wie me zegt wat de wettige leeftijd is om een rijwiel te besturen.
Ik eet hun versteende harten en neem een dubbele hap van wie schreef: Hij heeft gespeeld, hij heeft verloren.
Ik eet de uniformen die ambtenaren veranderen in cowboys, de achtervolgingen, het gevoel van straffeloosheid, de potjes als steun voor beklaagden en de slappe armen van justitie.

Ik schrijf ik eet om niet te schrijven ik spuug,
om mijn hoofd niet tegen het hoofd
te rammen van wie niets voelt
na de dood van een kind,
die tegen de grond te kwakken.
Poëtisch speeksel,
remedie tegen zinloosheid.
ETEN

 


Vertaling: Katelijne De Vuyst

 

□ A □ B □ C □ D □ E

Vink A aan als…

Je taal een boa is. Die reactionairen verstikt.
Voor een antifascistische aanval, geen behoefte aan vergift.
Je grijpt, je knijpt, je slikt en verteert alles puur.
Het bedrog opgelost in een trots, zuiver zuur.

Vink B aan als…

Je taal een braakland is – het lapt het beton aan zijn laars.
Anarchistische plantengroei, woorden als hoornaars.
Ze bezingt steengruis, distels, doornen en bramen.
Lofzang, niet op de roos, maar op een vruchtbaar veronachtzamen.

Vink C aan als…

Je taal basketbal speelt in de openlucht.
Zonder scheids, club, chrono, vestiaire of gezucht.
Ze blokt af en verdedigt en ze danst en ze veinst.
Ze houdt van fair play, grapt tussen aanval en defence.

Vink D aan als…

Je taal een streling is aan de rand van een vochtig geslacht.
Rusteloos speeksel dat wacht op een behendige hand.
Ze vertelt het pure genot, het spel van grote mensen en zweet.
Ze benadert vrije harten altijd via de binnenkant.

Vink E aan als…

Je taal een schuilplaats is voor al wie zich een vogeltje voelt of verstoten.
Ze repareert, ze voedt, ze beschermt tegen despoten.
Ze ontroert, ze bevrijdt, ze verwelkomt de beving
zoals een sterke moeder haar kroost vertroost.

 

Komaan, arm, komaan!
Blijf vooral doorgaan!
Ja, doorgaan!
Zwaai, draai.
Tot het brandt.
Morgen gooi ik het met je schouder op een akkoordje.
Morgen zeg ik sorry voor de naad in je mouw, voor de verrekking, voor de pijn.
Arm, komaan!
Zwaai, draai.
Tot het brandt.
Bedwelm de bewakers van de tijd.
Zwaai, draai.
En denk terug aan jezelf tien jaar geleden.
Eerste shows, eerste slams, eerste keren.
Arm, wat ging je tekeer!
Je had overal lak aan, en hoe!
Aan de codes en de coulissen en de ego’s
en de concours en de problemen et de supersterren
en de kringen en de klieken en de kritieken
en de als chique rijken vermomde arme rijmen.
Je had overal lak aan, mijn arm, en hoe!
Je was waterval, je was vuurspuwende vrouw, je was handgemeen zelfs.
Je stuwde je woede van je buik naar het blad papier.
Urgent geratel.
De misère schrijven, het onrecht schrijven.
De leugen schrijven, ademloos schrijven.
Urgent geratel.
Zombiegebaar van een zwarte hand.
Keurslijf dumpen, schrik dumpen, partner dumpen.
De weg, de distels.
Tot alles brandt.
Tot alles brandt.
En dan, omgekeerde duik naar de mond.
De buik, de buik!
En dan, je lijf naar de microfoon sleuren.
De buik, de buik!
Denk terug!
Immense glasramen in je rug.
Denk terug!
Groter dan jezelf in elk woord.
Denk terug!
Je beefde, mijn arm.
Je beefde.
Zoals een dij beeft.
Zoals een hals beeft.
Zoals woede beeft.
Je beefde, mijn arm.
En nu – inmiddels ken ik je al even –
zou je alles willen geven,
een beetje adem, een beetje zweet,
een beetje succes, een beetje poen,
echt alles, om nogmaals te beven als toen.
Arm, komaan!
Zwaai, draai.
Tot het brandt.
Zwaai, draai.
Heb geen spijt, arm! Heb geen spijt!
Een bedaarde arm is geen makke arm.
Een stille arm is geen luie arm.
Een rustende arm is geen slappe arm.
Niemand hier wenst je de slijtageslag toe van de organen.
Niemand hier wenst je de loopgraven toe in de slaap.
Niemand hier wenst je de eenzaamheid toe van de overlopers.
Arm, je hoeft niet meer te pralen!
Zwaai, draai, als je daar zin in hebt, maar niet gewoon om te tonen dat je nog altijd kunt draaien.
Je hoeft niet meer te pralen!
Je hoeft het terrein niet meer te bezetten als een levende toorts.
Je hoeft geen wapen meer te trekken om je hart te beschermen.
Je hoeft niet meer te molenwieken om aan tederheid te ontsnappen.
We zijn tien jaar later, arm.
Je mag je tatoeages gerust laten lezen.
Je blote, weerloze huid hoeft niets te vrezen.
Je schoonheid zij geprezen.
We zijn tien jaar later, arm!
Je bent nu voldoende soepel en sterk om je oude ouders onder het zeil van je oksel te houden.
Je bent het nest, het ultieme toevluchtsoord.
Je bent het luisterende oor.
Je bent de plek waar het verleden zich van zijn schulden kwijt.
Je bent het papier, je bent de twijg, je biedt een kans op gratie.
Je bent de terugkeer naar de haven, de terugkeer naar huis, de reparatie.
Je bent Congo en België, België en Congo.
Wieg maar, arm!
Wieg maar, sus maar.
Snavelzoentjes.
Wieg maar, sus maar.
Welkom ouders die je kind zijn geworden!
Snavelzoentjes.
Welkom roots!
Welkom tranen!
Welkom rust!
Wiegen, sussen, wiegen.



Vertaling : Katelijne de Vuyst

 

IK DANS

tong op mijn tenen,
piment van de eerste strofe,
streep zweet onder mijn politieke long,
enkelbandjes van glasscherven.
Elk gedicht vergruizen dat te weinig bloedt.

IK DANS

witte jurk, wade van het ontwaken,
schouders met stuifmeel bedekt.
Moeder zegt dat het niet betaamt, als je buren hebt,
dat je je slipjes in de tuin te drogen hangt.
En ik geloof haar.

IK DANS

een uitnodiging maar niet op bristolkarton
voor het wicht dat muurbloempje speelde tijdens de slows
een uitnodiging om de eenzaamheid niet te vrezen.
Ooit kom je te weten dat velen veinzen samen te zijn
voor een paar tellen of een leven lang.

IK DANS

Privilege van twee benen, geschaafde binnenkant van mijn dijen,
bots met mijn schenen tegen mijn goedkope bank,
schaterlach van mijn dochter.
Droom dat mijn ouders elkaar niet meer op de tenen trappen
bij hun laatste rondje op de dansvloer.

IK DANS

En de pauwen die in mij bakkeleien
en de veren en het paraderen en de makkelijke prooien
en de gescheurde spagaat tussen dag en nacht.
Plakkerig hart
onder synthetische stoffen.

IK DANS

bloot geslacht op je gezicht,
vervlogen schaamte,
amazone,
je mond, mijn lippen,
natte horizons, nieuwe vergezichten.
Je drinkt me niet.
Je ziet me.



Vertaling : Katelijne de Vuyst

 

Brosse herinneringen.
Open ramen.
Koele wind op ons voorhoofd.

Een tel stilte
vlak voor het applaus.

Klokslag acht uur.

Steun die de zorgverleners in de vlucht hoort te bereiken
maar omgekeerde baan van het helium.
Ballon van de hoop die leegloopt als de besmettingen pieken,
die op zijn zij valt
naast een haag
van oneer.

Op de balkons, kleine haantjes-de-voorste
die spotten met passanten en blaffende honden.

En kijk, we nemen ons voor,

uitgetelde rebellen,

dat zodra het mondkapje niet meer verplicht is,
telewerken niet meer verplicht is,
thuisblijven niet meer verplicht is,
we nemen ons voor dat
we zullen pralen met
onze glimmende
huid,

klamme trottoirs,
liefde als vaandel,
basis van nieuwe beloften,
loomheid van de bomen,
afwijzing van de stromen tegenstrijdige geboden,
verbreken van het isolement.

Voornemens, voornemens.
We nemen ons voor

maar weten we wel
wat vervellen is?



Vertaling : Katelijne de Vuyst

 

VRAAG ME op wie ik volgende keer ga stemmen, voor wie ik het winnende lot voor de toekomst van mijn kinderen in de stembus zal schuiven

en u zult het woord VERTROUWEN begrijpen.

 

VRAAG ME pardon pour het slappe links, pardon voor het vampirische rechts, pardon voor de bulkbuik van het centrum, een welgemeend pardon

en u zult het woord MOED begrijpen.

 

VRAAG ME hoeveel leugens, hoeveel larie, hoeveel druppeltjes sperma of gekke beloften ik sinds mijn pubertijd heb moeten slikken

en u zult het woord DOMINANTIE begrijpen.

 

VRAAG ME hoe laat mijn tantes opstaan, hoe laat ze naar de trein-tram-bus rennen, hoe laat ze hun laatste patiënte verzorgen

en u zult het woord INTEGRATIE begrijpen.

 

VRAAG ME hoe vaak mijn lieve vader zijn Congolese ouders heeft weergezien in de periode tussen zijn aankomst in België en zijn veertigste verjaardag

en u zult het woord VADERLAND begrijpen.

 

VRAAG ME waar mijn heimwee naar boven zeildoeken opgehangen vliegenvangers vandaan komt en naar maaltijden in blik

en u zult het woord VOLK begrijpen.

 

VRAAG ME waarom ik op latere leeftijd weer begin te sporten, waarom ik weer een lange adem wil, waarom ik het mes van de jeugd nog steeds tussen mijn tanden steek

en u zult het woord ENGAGEMENT begrijpen.

 

VRAAG ME of ik liefheb en word bemind, hoe ik liefheb en word bemind, waarom ik liefheb en word bemind

en u zult het woord DIVERSITEIT begrijpen.

 

VRAAG ME naar de kleuren van burgerschap, van steden en bossen, naar het woord dat niet zwicht voor de dwang resultaten te boeken, naar niet-paniekerige besluiten,

 

VRAAG ME naar de opgestroopte mouwen van gedichten, naar de kosteloosheid van dageraad en zorg, naar de navelstreng en naar het cordon sanitaire,

 

VRAAG ME naar de trucjes van moeders, naar de onzichtbare hechtpleisters van de natie, naar het tarten van het lot, naar opstandigheid, naar zweet en naar bressen

 

EN DAN ZULLEN WE DEZELFDE TAAL SPREKEN.



Vertaling : Katelijne de Vuyst

 

Als een harpoen

geplant pal op de plek van het kwetsbaarste vlees

van een dier dat zich veilig achtte voor de vraatzucht van de mens,

zo begonnen over

mijn brave dagen

beelden te stromen van kinderen,

een stuk jonger dan mijn jongste dochter.

 

Probeerde het te ontwijken met trillende bovenkaak

en met andersom trillende onderkaak.

Probeerde het te ontwijken brandhaarden puin lijkbaren as gezichten stof uit de lucht gedropt voedsel bommen offensieven overlevingsreflexen paniek bloedstromen doden tellingen duizeling gijzelaars geesten de cijfers staven de aanvallen staven de namen voornamen gezinnen massagraven geïmproviseerde ziekenhuizen grenzen huid van chagrijn dansen vallen grond tranen zeven oktober gezamenlijk bankroet soldaten plundering selfies speelgoed lingerie juwelen versperringen lichamen de schendingen staven het internationale doodzwijgen staven één been in plaats van twee één arm in plaats van twee één ouder in plaats van twee rijen witte lakentjes.

Probeerde het,

ergens tussen goed en slecht geweten.

Probeerde het te ontwijken

maar wat een echec,

maar wat een rampspoed,

van het netvlies gleed alles naar het gevoelige merg.

 

Een kind,

ik herhaal,

een stuk jonger dan mijn jongste dochter,

deelt zijn portie eten met een hond.

Delen van ontbering.

Een ander,

plat op de buik in het slijk,

drinkt water uit een plas.

Dorst naar gerechtigheid.

Een ander zegt: ‘Je vader is een martelaar’

Wezenloos weeskind.

Krabbenscharenhandjes.

Open sluitspieren.

Onder een voetbalshirt

zoekt een schreeuw naar zijn stem.



Traduction : Katelijne de Vuyst

 

© AFP

coNtact opNemeN

Abonneer u op onze nieuwsbrief

Franstalige contact

Charlotte Poncelet
Maison de la Poésie et de la Langue française

*

 +32 (0)81 22 53 49
charlotte [@] maisondelapoesie.be

Nederlandstalig contact

Lerne van Kesteren
Poëziecentrum

*

+32 (0)9 225 22 25
lerne.vankesteren [@] poeziecentrum.be

De Dichter*es

Lisette Lombé

Mustafa Kör

Carl Norac

Els Moors

Laurence Vielle

Charles Ducal

De partners