van Charles Ducal, Dichter van België van 2014 tot 2016.
8 maart is internationale vrouwendag. Charles Ducal, ambassadeur van Dichter des Vaderlands Laurence Vielle, schreef ter ere van deze dag een gedicht. Hij liet zich inspireren door vrouwen die getuigen over hun werk, over hun huiselijke situatie en over hun inzet voor de rechten van de vrouw. Het gedicht werd geschreven op vraag van de Algemene Centrale van de ABVV.
–
Herleid tot schort, tot dweil, tot toetsenbord,
zo vanzelfsprekend dat het werkt
ook zonder naam, zonder gezicht,
tot het is uitgeput, onbruikbaar wordt:
het mens dat prijzen scant, het ziekbed dekt,
zich buigt over de vloer. Zij zijn de bloemen
niet die elk voor zich de zon opeisen,
hun arbeid is een lied dat niet vervoert,
niet opstijgt in het licht daarboven waar
men leeft in overvloed, waar niemand vraagt
hoeveel een rug kan dragen of wat een dweil,
versleten, eet van het pensioen.
Misschien als alle dweilen zich verenigen
met alle schorten, alle kassa’s tot één stem,
zullen de heren hogerop dan eindelijk niet horen
dat het beneden zo niet langer werkt,
de dag waarop de dweil de vloer verlaat
en zwaaiend aan een hand door Brussel gaat?
Belgische instituten als het spoor en de post kunnen natuurlijk niet ontbreken in het traject van de Dichter des Vaderlands. De trein laat Charles Ducal aan zijn opvolgster, Laurence Vielle, en voor de post roept hij haar alvast aan zijn zijde. bpost stelt deze maand zijn nieuwe collectie postzegels van 2016 voor en het koninginnenstuk daarin is zonder twijfel de zegel gewijd aan Emile Verhaeren, de illustere voorganger van onze Dichter des Vaderlands, in een prachtig ontwerp van GAL waarin de man en zijn poëzie letterlijk één worden. Voor de uitgifte schreven Charles Ducal en Laurence Vielle speciaal een gedicht.
–
Iemand wacht in een vreemde stad
in het postkantoor op een brief,
jaren al, maar de tijd is fictief.
Iemand wacht in een vreemde stad
op iets liefs, in de wetenschap
dat thuis, in een tijdloos nu, iemand
een inktspoor begint dat ginds
al zingt in het wachtende oog.
Zo schrijven zij samen een brief,
die zeker zal komen, vandaag nog,
iedere dag weer opnieuw. Misschien
glijdt hij nu in de bus, pas voltooid,
de postzegel opgedrukt als een kus.
Misschien komt hij nooit.
Charles Ducal
Il y a dans un home
d’une rue de Flandre
les lèvres fanées d’Hélène
103 ans cette année
je ne vais pas la voir
une fois par an
elle dépose un baiser
sur une enveloppe blanche
bonne fête elle me dit
fidèle comme la vie
tous les facteurs de Flandre
connaissent son écriture
claire et précise
plume
tous les postiers du monde
reçoivent son baiser
écume
tissé au timbre et à ses doigts plissés
vieil oiseau aux ailes de papier
traverse mon enfance
ce timbre-ci Hélène
oh comme je le désire
sous mes lèvres à tes doigts
sous tes lèvres à chez moi
pour un baiser encore.
Laurence Vielle
Het dertiende gedicht van de Dichter des Vaderlands, Charles Ducal, is geschreven naar aanleiding van de Werelddag Dementie. Deze dag heeft een speciale betekenis voor bijzonder veel mensen, die met deze vreselijke ziekte geconfronteerd worden, ook voor de dichter die zijn vader in zijn laatste levensjaren langzaam aan deze ziekte zag bezwijken.
–
Het is stil in de straat. Nooit komt een man
voorbij met een brood in zijn armen.
Aan een hand hangt een bril, hulpeloos,
als een druppel aan een afgesloten kraan.
De vrouw in de rolstoel wordt niet meer warmer.
Een fotoboek is tegen de winterkou bovengehaald
en ligt als een ingeving naast de kachel.
Uit de klok hangt de koekoek stomweg omlaag.
Wat zij gemist heeft tast in haar rond
als een blinde geleid door een dwalende hond.
Het is stil in de straat. Iedere dag wacht dit kind,
al jarenlang, ontheemd, ondervoed.
Het wordt nooit warmer. Nooit komt een man
voorbij met een brood in zijn armen.
Geen plek zo Belgisch als het Noordzeestrand. Met zijn twaalfde gedicht trekt Charles Ducal naar zee voor een vakantiegedicht. Het gedicht verschijnt tijdens Theater aan Zee op een postkaart.
–
Een moederlijf in haar hangmat, zo ligt zij
te wiegen. Aan haar voeten jaagt in de winter
een eenzame hond. In herfstregens staan lege zielen
te staren naar de verdwenen horizon.
Maar de lente is niets dan naderende zomer.
Een vleugje meer licht, meer warmte volstaan
om de eerste nog rillende lichamen los te knopen
en te herdopen in het geruis van de moedertaal.
Dan gooit het land zijn wegen en treinen
als uitgeworpen lijnen naar de lokkende rand,
wordt alle vlees leesbaar en onvermijdelijk
naakt in het oog van de zon uitgestald.
De zee is de moeder van alle Belgen, de stem
in hun armen en benen, de vlucht in hun ogen,
de vis in hun vel. Spatten mens, altijd dezelfde,
klein en onnozel, en ik een van hen,
die ’s nachts, achtergebleven, te luisteren
lig, urenlang, hoe zij nader komt
en ’s ochtends ontwaak tussen de schreeuwende
meeuwen, haar zout op de tong.
De toenemende dodentol aan de buitenmuren van Fort Europa schokt de publieke opinie diep. Dichter des Vaderlands Charles Ducal heeft het in dit drieluik niet over mensensmokkelaars, maar richt de lamp op onze beschaving. Recht op migratie is een fundamenteel mensenrecht. In theorie. Elke verdronkene – horen we het? – is een schreeuw om minder eigenbelang en meer geweten.
–
– 1 –
Wij liepen onze angst tegemoet.
Achter ons naderde iets nog veel groters.
Wij hadden geen moed, hadden gehoord hoe de stad…
maar wilden naar binnen voor de poort werd gesloten.
Wij hadden kinderen begraven,
hadden geleerd hoe een prooi zich redt
en onze schaamte voor een stuk brood afgelegd.
De erfhonden zwegen toen ze ons zagen.
Voor de poort wachtten laarzen en paarden.
Wij stuurden wie zwanger of ziek was vooruit
in de hoop ons op een wet te kunnen verlaten.
Men joeg hen terug, het maakte niets uit.
’s Nachts liepen wij door de riolen
onze angst tegemoet. Wij hadden geen hoop.
Maar achter ons naderde iets nog veel groters.
Wij moesten naar binnen, hoe dan ook.
– 2 –
Hoe konden zij dit begrijpen?
Aan land gegaan toen zij huizen zagen
en afleidden dat daar mensen woonden
aan wie men een brood kon vragen,
water, een bed, een bussel stro desnoods,
die wilden luisteren naar hun verhalen
met geduldige oren en een warm oog.
Maar welke god had deze wezens geschapen
die van hun angst de bewijzen vroegen,
hun wanhoop afwezen op grond van artikel zoveel?
Die hun boot weer de storm in joegen?
Hoe konden zij weten dat dit het deel
van de wereld was dat zich zat had gegeten
aan de tafels die zij waren ontvlucht?
Hoe konden zij hopen het brood te zien breken?
De huizen stonden verzadigd,
met volle vuilnisvaten, gestoord in hun rust.
En eisten dankbaarheid voor elke kruimel
van hun beschaving,
zich van geen schuld bewust.
– 3 –
Die onder ons zijn en niet bestaan
omdat de stempels ontbreken
zijn niet onder ons hoewel zij bestaan.
Ik heb er één een slaapplaats gegeven,
een man verminkt in eigen ogen:
huidskleur mislukt, glimlach verdacht.
Een man door zichzelf ingevuld
als verwacht: tweedehands, overbodig,
en toch uit op een leven, zomaar,
zonder reden, zonder bewijs te zijn opgejaagd,
gemarteld, bedreigd met de dood.
Alleen een vrouw en drie kinderen.
De vrouw ziek. Very sick.
Daarop had hij gehoopt.
Wij hadden weinig woorden. Genoeg
voor een bord, een bad, een bed voor de nacht.
Woorden die onder ons niet bestonden
omdat er geen plaats meer voor was.
Wanneer de wapens zwijgen, is in ontelbare hoofden de oorlog nog lang niet voorbij. Het tiende gedicht van de Dichter des Vaderlands herdenkt het einde van de Tweede Wereldoorlog (8 mei). Het gedicht is geïnspireerd op de eigen familiegeschiedenis tijdens die oorlog.
–
-1-
Gelijnd tegen een stalmuur: een vrouw
en tien kinderen. Een pistool wijst aan:
die alle sind ihre, die zwei sind Juden.
S. negen, J. twaalf. Uit hun spel gehaald,
door de loop van de geschiedenis aangeraakt.
Angst denkt vuur, denkt kruitdamp en bloed.
Kent niet de ster, de laatste bagage, de trein
naar het kamp. Is maar een vlek, een warme vlek
op een kinderbroek. Hoort niet de stem
die links en rechts een hoofd in haar rokken trekt
en lacht: Ach nein, Herr, sie sind alle mein.
Ziet enkel de loop die kijkt, een eeuwigheid lang,
en dan zegt: der Krieg ist vorbei.
-2-
Zij kwamen uit de stad, de joodse broers
van mijn vader. S. kwam soms langs,
een sombere man, een kind tegen een muur,
levenslang. Dronk, deed zijn bar mitswa
op veertig, ook dat vergeefs. Riep
’s nachts mijn grootmoeder, angst
als een gat in zijn geest, dat hij liet praten,
drie keer per week bij een psychiater.
Op een verjaardag liep hij naar de trein,
de joodse broer van mijn vader.
Gered van het kamp op een hoeve
in Brabant. Nooit bevrijd.
Op dinsdag 21 juli 2015 kreeg burgerbeweging Hart Boven Hard de prijs voor de democratie uitgereikt. Dichter des vaderlands Charles Ducal schreef naar aanleiding daarvan een nieuw gedicht.
–
In rusteloos jagen versteend. Om hen beweegt
de wind, maar waar hij gaat kunnen zij niet
langer volgen. Zij hebben de tijd afgebonden,
de toekomst gedicht met het wereldbeeld
van een aarde verkocht aan ik, het ijkgewicht
om van mens en dier de meerwaarde af te schrapen.
Op die manier wegen zij met de dag zwaarder
en horen niet hoe in de wind iets begint,
iets jongs en fris dat door de muren zingt,
vermoeide stemmen optilt uit de slaap
en opspant tot een nieuw geluid.
Versteend in zijn kantoor hoort men de lente niet.
De tijd, die men dacht af te sluiten, loopt
op straat en vindt, hart boven hard,
de toekomst uit.
21 maart is World Poetry Day, een werelddag voor de poëzie op initiatief van UNESCO. Charles Ducal legt dit jaar speciaal de focus op jongeren en poëzie. Want zonder jeugd geen nieuwe lente en geen nieuw geluid. De dichter des vaderlands verwelkomt hen alvast van harte met zijn negende gedicht.
–
of Lof van het avontuur
Zij lopen op jonge vingers
te fluiten als veroveraars
op een vreemde kust,
waar andere vingers nooit eerder.
Zij hoeven niets te betekenen,
lopen toevallig, zich niet bewust
van de lucht die al is ingekleurd
en de richtlijnen onder het gras.
Hun sporen maken geen wegen,
geen bruggen, zij lopen verloren
in het moeras, waarboven zij
dwaallichtjes plukken, verrukking
die in hun mond openspat.
Daar komen geen padden van
en geen goud, alleen het vrolijk tikken
van druppels op een geduldige steen.
Soms in het rood, dat is even schrikken.
Want het loopt soms verkeerd,
maar nooit fout.
In ‘Woord tegen woord 2’ buigt de Dichter des Vaderlands zich opnieuw over de taal van de media. Over vertrouwde tv-beelden die ons wereldbeeld niet aantasten. Over een moeilijk te aanvaarden waarheid die vroeg of laat spreken zal.
–
Er rijpt in onze taal een woord dat niet bestaat
in de verbeelding van een scherm
waarop het nieuws uit de hel nestwarmte biedt
en feiten kunnen opgestapeld tot een bolwerk
van geloof. Een woord van ongeloof, een licht
zo fel dat ieder toetsenbord het zich verbiedt.
Het schijnt voorbij de grens van wat zich
dagelijks berichten laat als niets, een dode vlieg,
een kind dat sterft, een luchtbombardement
van doden in vertrouwde huidskleur en getal.
Het rijpt in al wat zwijgt, wat zonder stem
de wereld is. Hoop niet dat het u sparen zal.
Het zevende gedicht van de dichter des vaderlands doet ons nadenken over het begrip ‘koopkracht’ in een samenleving die zowel enorme rijkdom als schrijnende armoede creëert en de solidaire invulling van basisbehoeften steeds meer vervangt door individuele verantwoordelijkheid. Het verschijnt voor het eerst op 17 oktober, de Werelddag tegen de Armoede.
–
Na zijn dood werd God vloeibaar
goud. In die vorm kwam hij overal,
op alle plaatsen, die hij overspoelde
tot men geen andere god nog aanbad.
Heter dan kokende as, kouder dan ijs
drong hij binnen door ogen en oren
en dwong alle handen naar zijn gebod:
wie een leven wil moet het zien te kopen.
Wie het kan wordt vloeibaar als God zelf,
wast aan en giet zich uit over de wereld,
duizenden goden, allen de enige.
Wie het niet kan wordt onbestaand,
een roeier zonder spanen,
een zwemmer in het moeras,
een drenkeling buiten adem,
een wesp in een limonadeglas.
Met zijn zesde gedicht opent de dichter des vaderlands de poort naar het nieuwe schooljaar. Charles Ducal, die zelf als vrijwilliger leerlingen van niet-Belgische origine helpt instromen in ons onderwijs, draagt het gedicht op aan alle kinderen die ‘niet mee kunnen’ en alle leerkrachten die zich met hart en ziel voor hen inzetten. Het gedicht plaatst in sprekende beelden een vraagteken bij het selectiemechanisme in ons onderwijssysteem, dat zoveel ongezonde druk en faalangst produceert.
–
Alsof hij bramen voor de jampot plukt
trekt september de kinderen van de zomer.
Onder de school wordt het vuur aangelegd.
Van gloeiende mannen- en vrouwenhoofden,
in lange winters gekloofd en gedroogd,
vonken de cijfers en letters weg.
Een meetlat roert in een reuzenschedel
en voegt om het uur een pond krijtstof toe.
Gedachten die aan de rand blijven kleven
worden geduldig verwijderd, het doel
van de les is een plek in de voorraadschuur
longen en tongen, die goed doorkookt
en gezwollen te koop zullen zijn op de markt.
Juni schudt de zeef: wie er door valt
belandt in schuif B. Boven de hoofden
hangt aan de muur een oog
dat onderscheidt, nooit knippert of lonkt,
enkel kijkt. Een oog als een strop.
De kinderen letten goed op.
Charles Ducal herdenkt de Groote Oorlog met zijn vijfde gedicht, Soldaat 1914, symbolisch gepubliceerd op 4 augustus 2014, precies een eeuw na de inval van het Duitse leger in België. Ducal brengt in zijn gedicht hulde aan de soldaat anno 1914 die in volle oorlogspropaganda naar het front wordt gestuurd, de dood tegemoet. Op 4 augustus 2014 bracht Ducal zijn gedicht voor het eerst live op ‘Uitgelezen Aan Zee’, begeleid door muzikanten Filip Jordens en Jokke Schreurs die hun muzikale versie van enkele gedichten van Ducal opvoeren.
–
De hamer van de taal heeft zijn schedel gekraakt
en alle kamers ingenomen. Het is nog zijn hoofd,
maar wordt nu bewoond door iets groters.
In de keuken wordt proviand klaargemaakt
voor zijn aandeel in armen en benen.
In de woonkamer schept het dagblad het kwaad.
Zo wordt de wil langzaam losgepraat
van have en goed en ingesnoerd
in het uniform van de plicht.
Een oeroud instinct wordt uit de mottenzak
boven gehaald en gelucht. Er zitten gaten in,
allicht van angst, maar die kunnen gedicht.
Hoofdletters vullen ze in,
geven de dood zijn onsterfelijke zin.
Zijn dood, niettemin.
Het vierde gedicht van de dichter des vaderlands heet ‘As in de mond’ en is een aanspreking tot de staat Israël. Het klaagt de zionistische terreur aan tegen de Palestijnse bevolking, van 1948 tot nu, en het misbruik door de Israëlische regering van het joodse geloof en de herinnering aan de jodenvervolging om de kolonisering en racistische behandeling van de Palestijnen goed te praten.
–
tot de staat Israël
Ja, jij, Israël,
bent nu eenmaal beter. Het staat geschreven
in Het Boek. Het spreekt uit je blik
als je hen naderen ziet: in fanatieke kleren,
stoffig, hun pasje klaar in de hand.
Je kijkt naar hen als een schepper van water
in een wereld van zand. Zij wonen toevallig,
zonder belofte, kunnen weggerakeld
als dorre bladeren. Dit is jouw land.
Je hebt geleerd de angst voor vervolging
levend te houden zonder angst, arrogant
als de man die zijn vijand zelf heeft gekozen.
Je slaat hem neer. Je bent bedreigd,
de schuld die uitstaat geeft iedere bulldozer,
iedere tank het recht op veiligheid
zonder grenzen. Je ogen zagen de tempel
verwoesten, de straatstenen onder de hoeven
der kruisridders bloeden. Je bent tweeduizend
jaar oud, was erbij in Treblinka, Schirmeck
en Dachau. Al heb je hun water gestolen,
hun kinderen beschoten, hen achter prikkeldraad
opgesloten, je bent nu eenmaal Gods volk,
uitverkoren op precies deze grond.
Wie onder je bossen, je wegen, je steden
het oude dorp nog hoort schreeuwen,
krijgt as in de mond.
Het tweede gedicht van Dichter des Vaderlands Charles Ducal, een parabel over de arbeidsmarkt opgedragen aan de werknemers van Ford Genk en ArcelorMittal, verschijnt op 30 april in De Morgen, Vers L’Avenir en GrenzEcho naar aanleiding van de Dag van de Arbeid. U kan het onderaan lezen.
Omdat dit tweede gedicht een lied is, sloegen twee topmuzikanten de handen in elkaar. Jokke Schreurs zette de tekst op muziek en Filip Jordens zingt het lied in de drie landstalen. Op 1 mei brengen zij dit lied voor het eerst voor het publiek. Charles Ducal brengt het gedicht samen met Jordens en Schreurs ook op de openingsavond van het Felix Poetry Festival in Antwerpen op 11 juni.
–
Nooit droeg de boom zo veel vruchten,
maar de tijden zijn hard, zegt de heer.
Hij neemt twee ladders weg, de plukkers
die blijven plukken nu meer.
Nooit vulden zich rijker zolders en kelders,
maar het deel van de plukkers neemt af.
Al plukken zij langer en sneller,
voor de heer is hun arbeid een last.
Elders klimt men met honger de boom in
en daalt er met honger uit af.
Het wekt in de heer de hoop op gewin:
de boomgaard wordt omgehakt.
In verre grond wordt een nieuwe geplant.
Als afscheid krijgt iedere plukker
een mandje mooi fruit. De tijden zijn hard
als onder een ladder een man staat die huilt.
Zonder boom is een plukker een hand
in het ijle die niet meer beweegt,
waar dagelijks een aalmoes in valt.
Een aalmoes maakt lui, vindt de heer.
Waarop hij zijn priester stuurt met het Woord
dat de werkloze plukker zondig spreekt
en hem aanspoort op zoek te gaan
naar een boom. Er is er vast nog wel een.
Moraal:
Zo de arbeidsmarkt verdween
was er werk voor iedereen.
Van alle woorden zijn de onze de zwakste,
al liggen zij ontegensprekelijk in de mond.
Niemand verhoort ze, niemand verkracht ze.
Zij kussen de sterren, zij hebben geen grond.
Andere woorden bewegen armen en benen,
vullen schedels, ontsteken de keel.
Een mes in de rug kan vertaald als een streling,
een schop in de buik als noodzakelijk verkeer.
Het andere woord rijmt niet, het bewijst zonder meer
dat de werkelijkheid strookt met uw krant.
Het drukt op uw ogen, de startknop van uw tv,
en licht op. Het maakt ons duister en bang.
© Karoly Effenberg
Franstalige contact
Charlotte Poncelet
Maison de la Poésie et de la Langue française
*
+32 (0)81 22 53 49
charlotte [@] maisondelapoesie.be
Nederlandstalig contact
De Dichter*es
De partners